Pat Van Beirs haalt Alles uit de kast

Zigeunergebroed-Pat-van-Beirs-333x500Tijdens het Alles uit de kast-festival komen bekende gasten hun 12 favoriete titels voorstellen in de bibliotheek, voor een beperkte groep mensen, tussen de rekken van de bibliotheek. Lees-, kijk- en luistertips met een persoonlijke touch.

Pat Van Beirs is een geboren en getogen Gentenaar (lees meer op Literair Gent). Waarom is deze ontmoeting met Pat Van Beirs een aanrader? Omdat u nieuwsgierig bent naar … waar hij als auteur, scenarist, vertaler zijn inspiratie haalt, wat hem drijft, welke passies zijn werk hebben beïnvloed – al dan niet in duo met Jean-Claude Van Ryckeghem. Alvast een voorsmaakje:

  • Vanwaar zijn fascinatie voor de geschiedenis, met grote G, maar ook van het dagelijks leven, wetenschap en techniek, godsdienst en bijgeloof, …? Jonkvrouw in de 14de eeuw in Gent en Brugge/Male (met onwaarschijnlijke keukenrecepten, bijgelovige remedies enz), Galgenmeid eind 16de eeuw in Antwerpen en Sevilla (Spaanse inquisitie, cartografie en ontdekkingsreizen, Breugel in een bijrolletje), Betty en Dodge in de aanloop naar Wereldoorlog II, Tunnel van angst in Antwerpen in 1933 (met oa Camille Huysmans en Einstein in gevaar), en recent Zigeunergebroed in Gent onder Willem I (1815-1830) (met professoren Kluyskens, gynecologie, en  Guislain, psychiatrie, de industriële revolutie en vele uitvindingen).
  • Veel historische informatie dus in de verhalen van Van Beirs (en Van Ryckeghem) , feiten die je als lezer deels (her)kent (altijd fijn), en die deels nieuw zijn (interessant). Je zou denken, informatie leest moeilijk, maar nee, je wordt meegezogen in het verhaal en je krijgt alles ‘en passant’ in een vloeiend geheel geserveerd. En het blijkt allemaal actueler dan je zou denken.
  • Vanwaar de voorkeur voor rebelse meisjes en jongedames als hoofdpersonage? Dames met de ambities van hun mannelijke tijdgenoten, die willen studeren, paardrijden, schermen/schieten, … en die voor niets of niemand bang zijn, maar toch vallen voor die ene charmante (maar foute?) jongeman. Bijna alles in de ik-vorm geschreven, waardoor de lezer zich goed kan inleven in het personage. Jonkvrouw Marguerite, de opstandige dochter van de graaf van Vlaanderen, Galgenmeid Gitte, zakkenroller en spionne, ‘Betty’ Bernadette Burgess, jonge Engelse lady in actie tegen nazi’s e.a. extremisten, Romanie Zigeunergebroed, studente, amazone en bendeleider, … en Matty in Aanrijding in Moscou.
  • En vanwaar de al even avontuurlijke mannelijke hoofdpersonages: Spijker, een bange maar toch wel moedige Gentse jongen of speurder Charlie Mooijman in Tunnel van angst (allebei hij-verhalen) en Zaki, vluchteling uit Afghanistan in Er zijn geen paarden in Brussel, een bundel aangrijpende verhalen van 6 jonge vluchtelingen.
  • Vanwaar zijn taalvirtuositeit? Voor hij samen met Jean-Claude Van Ryckeghem verhalen ging schrijven, maakten ze de Vlaamse versie van Chicken Run, met een fraaie waaier aan Vlaamse dialecten. Daarna kwam de rijke taal van de historische verhalen, met oude woorden – zo slim in de tekst gepast dat je ze meteen begrijpt – naast neologismen met fijne humor. Elk personage krijgt z’n eigen taal mee, overeenkomstig rang, stand en  omstandigheden.

Antwoord op al deze vragen – en veel meer – hoort u van Pat Van Beirs zelf, als hij op 28 november (om 14 en 16 uur) zijn 12 favoriete boeken, strips en films komt voorstellen aan een select publiek van een 20-tal personen.

Alles-uit-de-kast-festival 2015 - Pat Van Beirs

Schrijf snel in via Eventbrite, dan zetten we een stoel voor u klaar.

Myriam Verreycken, communicatie

Pat Van Beirs haalt Alles uit de kast

GELEZEN: Een Hollands soldaat penseelt Gent van René De Herdt

renedeherdthollandsoldaatpenseeltGentHet jaarthema 2015 van de stad is ‘Gent kleurt oranje’. Van 1815 tot 1830 vormden België en Nederland één land: het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I.
Tussen 1820 en 1823 was in Gent een Nederlands soldaat gelegerd, Jan Joseph Wynants, die in zijn vrije tijd stadsgezichten schilderde. Zij vormen een idyllisch beeld van Gent. Het stadsarchief heeft 134 aquarellen van Wynants in bezit. Ze worden dit jaar gerestaureerd en gedigitaliseerd. U kunt op de beeldbank Gent de aquarellen bekijken. In 1989 schreef René De Herdt een boek over de tekeningen Een Hollands soldaat penseelt Gent met meer informatie over wat u ziet.  Bv. het Rabot: op de prent ziet u de torens maar ook de stadsomwalling en de katoendrukkerij van de gebroeders De Smet. Of de Coupure met het entrepot (een pakhuis). In die periode was de Coupure trouwens een favoriete wandelweg voor de burgerij.

Op de prenten van Wynants komen weinig mensen voor. Er is ook geen spoor van de ellende van de arbeiders die toen al in overvolle beluiken woonden, naar de stad gelokt om in de fabrieken te werken. Toch zijn de prenten van groot belang voor de geschiedenis van Gent in de 19de eeuw: tal van stadsgezichten en gebouwen zijn accuraat weergegeven. De herkenbaarheid is voor ons, Gentenaars van twee eeuwen later, zeer groot. Wynants tekende bv. de Vlasmarkt en de Sint-Jacobskerk. René De Herdt vertelt daarbij dat aan de kerk van oudsher een prondelmarkt met vodden en tweedehandszaken gehouden werd. Daarover is zelfs een straatliedje geschreven:

Er is te Gent een voddenmarkt
Van allerhande dingen;
Men zingt altijd van liefde en jeugd.
Ik wil die markt bezingen.
Daar vindt men meubels, kindergoed,
Kazuifels, oude boeken.
Ja, somtijds heel ’t oud testament
Ligt tussen d’oude broeken.
[…]
‘k Zag onlangs daar de relikwie
Van de heilige Pauline.
Die op een koekepanne lag
En naast een krinoline.

Sommige Gentse gewoontes zijn eeuwen oud.

Kristine De Messemaeker, collectie Gent

GELEZEN: Een Hollands soldaat penseelt Gent van René De Herdt

GELEZEN: De fatale kust van Robert Hughes

roberthughesfatalekustIndien de Doos van Pandora enkel gevuld zou zijn met boeken valt bij het openen De fatale kust. Het epos van Australië er ongetwijfeld als eerste uit. Honger. Misdaad. Epidemieën. Gevangenentransporten en gevangenissen. Schipbreuken en scheurbuik. Marteling en geseling. Dwangarbeid. Opstanden. Racisme. Seksisme. Kannibalisme. Corruptie. Sociale ellende. Zelfmoord. Dierenuitroeiing. Genocide … Weinig plagen die je kan bedenken of ze komen er wel in aan bod.

Maar laat je hier niet door afschrikken, want dit boek is het meesterwerk van schrijver en kunstcriticus Robert Hughes, die zich voor zijn historisch én literair fresco over de vroege Australische koloniale geschiedenis en samenleving baseerde op honderden documenten, verslagen, dagboeken, brieven … Een minder getalenteerd auteur zou van de zware thematiek en deze massa gedetailleerde bronnen een moeilijk verteerbare kanjer gemaakt hebben, enkel geschikt voor specialisten. Maar De fatale kust is zo goed geschreven en gecomponeerd dat het boek 28 jaar geleden een onwaarschijnlijke, wereldwijde bestseller werd. Het zorgde voor Hughes’ internationale doorbraak en na nog een aantal andere publicaties en polemieken zoals Kritisch in vredesnaam, kritisch of De klaagcultuur werd hij uiteindelijk één van de invloedrijkste kunstcritici van de late 20ste eeuw.

Dit boek heeft echter weinig of niets met kunst te maken maar beschrijft de opkomst en ontwikkeling van het vroege, koloniale Australië: een staat ontstaan als een gigantische strafkolonie. Groot-Brittannië meende zijn criminaliteitsprobleem op het einde van de 18de en in de eerste helft van de 19de eeuw te kunnen oplossen door grote aantallen gevangenen naar de andere kant van de wereld te deporteren. Tot in de jaren 60 van de vorige eeuw was dit in Australië bijna een taboe-onderwerp zodat er tot dan in de geschiedenisboeken over het gevangenensysteem  nauwelijks iets te vinden was.
Maar Robert Hughes is nooit te beroerd geweest om tegen heilige huisjes te schoppen. Hij beschrijft de geschiedenis van onderuit: het boek gaat voor een groot stuk over hoe de gevangenen hun lijden ervoeren, hoe ze overleefden, maar ook hoe ze na hun vrijlating hun kansen voluit grepen en uiteindelijk soms een beter leven kregen dan ze ten tijde van de Industriële Revolutie in Groot-Brittannië hadden kunnen verwachten. Doorheen De fatale kust volgen we – eerder thematisch dan strikt chronologisch – de levens van tientallen mensen aan de hand van memoires, brieven en andere documenten. Niet alleen gevangenen en hun afstammelingen maar ook de gouverneurs van de kolonie, gevangeniscommandanten, officieren, vrije kolonisten, ontsnapte misdadigers, nieuwe kolonisten, (Britse) politici …  Niet voor niets is de ondertitel ‘Het epos van Australië’, maar toch is dit boek non-fictie en géén roman zoals het momenteel foutief op de Wikipedia staat. De verwarring is begrijpelijk: Hughes’ verzorgde stijl is verre van zakelijk maar eerder literair en hij strooit met metaforen. Over ontsnapte bandieten in Van Diemen’s land (het huidige Tasmanië) schrijft hij bijvoorbeeld:

‘Tot ongeveer 1825 had het gouvernement niet veel kans om ze te pakken te krijgen, aangezien het slechts weinig soldaten had en geen daarvan ervaren woudlopers waren. Door een afdeling struikelende kreeften waren deze bandieten niet gevangen te nemen. In het woeste, magnifieke terrein van Van Diemen’s land, dat doorsneden wordt door kloven en afgronden, was dat zoiets als met je vingers proberen kwik van een tapijt op te pakken.’

Een ander voorbeeld: zijn eerste – niet veel goeds voorspellende – zin over de nieuwe gevangeniscommandant van Norfolk Island, de strafkolonie voor gevangen die in Australië een tweede misdaad hadden begaan:

‘Zijn opvolger daar was majoor Joseph Anderson  (1790- 1877) van het 50ste regiment, ook al een beroepsmilitair en een veteraan van de Napoleontische oorlogen op het Iberische schiereiland, een inhalige, alerte en vrome Schot met een gezicht als een prikkelbare visarend – kille diepliggende ogen, een scheermes van een neus, en borstelige witte bakkebaarden.’

De tegendraadse Hughes trapt ook niet in de val om van het epos een met aanklachten doorspekt, anti-kolonialistisch, anti-autoritair of anti-kapitalistisch pamflet te maken en voor Robin Hood-romantiek over ontsnapte of opstandige gevangenen ben je bij hem eveneens aan een verkeerd adres. Maar door zijn stijl en gebruik van ironie, soms op de rand van het cynisme, is het meer dan duidelijk dat hij het onmenselijke, premoderne gevangenissysteem verafschuwt. Van ideeën om er veroordeelden te proberen ‘verbeteren’ en te herintegreren in de samenleving was er toen nog geen sprake. Het gevangenissysteem was gebaseerd op het idee dat deze instelling ‘een plaats van bestraffing diende te zijn waarvoor men vol afgrijzen terugdeinst – een oord van waarachtig lijden, pijnlijk als herinnering, een gruwel voor de fantasie … een oord van verdriet en geweeklaag, dat je vol doodsangst behoort te betreden’. Een citaat van de volgens Hughes ‘anders wel vriendelijke en joviale’ dominee Sydney Smith.
De lijfstraffen van de tot 2 jaar dwangarbeid veroordeelde William Riley opsommen behoeft ook al weinig verder commentaar meer:

‘100 zweepslagen: voor het zeggen van ‘O mijn god’ tijdens het verrichten van dwangarbeid
100 zweepslagen: geglimlacht tijdens de dwangarbeid
50 zweepslagen: vroeg om een vuurtje
200 zweepslagen: onbeschaamd gedrag tegen een soldaat
(…)
100 zweepslagen: wegens het zingen van een lied’

Hughes beperkt zich uiteraard niet tot de beschrijving van de opkomst en de ondergang van het deportatie-, dwangarbeid- en gevangenissysteem, maar bespreekt ook de hele bestuurlijke, politieke en sociaal-economische evolutie en de spanningen binnenin de vroege kolonie:  van de reis van een duizendtal eerste kolonisten naar Botany Bay aan de Australische oostkust en de oprichting van de eerste nederzetting in 1788 tot de goudkoorts in de jaren 1851-53, die de reputatie van  Australië als afschrikwekkend deportatie-oord voor gevangenen uiteindelijk de nekslag toebracht. De eerste 2 jaar stierven de slecht uitgeruste en voorbereide pioniers (officieren, soldaten, scheepslui, gedetineerden…) bijna de hongerdood tot Britse bevoorradingschepen, met een tweede ‘lading’ gevangen hen in 1790 op het nippertje redding brachten. Geleidelijk, met vallen en opstaan, werd de kolonie leefbaarder en zelfstandiger en de schamele nederzetting zou uitgroeien tot Sydney. De langzaam uitbreidende kolonie was een klassenmaatschappij, die nog decennialang bol zou staan van spanningen en conflicten tussen de leidende ‘Exclusieven’ (officieren, bestuurders, hun familie en afstammelingen…), de nieuwe vrije kolonisten en emigranten, de vrijgelaten gevangen en hun afstammelingen, de gedetineerden, de Ierse gedetineerden en de aboriginals. De laatste groep helemaal onderaan de hiërarchie … Je verneemt ook veel over de penibele sociaal-economische en politieke situatie  en het strafrechterlijk systeem van ‘moederland’  Groot-Brittannië in de 18de een 19de eeuw, omdat Hughes de eerste 100 pagina’s rustig de tijd neemt om de achtergrond en de motieven voor het oprichten van de strafkolonie op het Australische continent uiteen te zetten en te verklaren. Het geloof dat er zoiets bestond als een ‘misdadige klasse’ en dat criminaliteit op te lossen valt door de criminelen naar elders te deporteren droeg er in elk geval toe bij.
Een groot deel van de gedeporteerden waren recidivisten, maar zeker in het allereerste transport waren er ook  ‘criminelen’ bij die delicten bijna uit meelijwekkende noodzaak werden gepleegd:

‘Elizabeth Beckford, de op een na oudste vrouw onder de gevangenen  was zeventig jaar oud. Haar vergrijp waarvoor ze tot 7 jaar ballingschap was veroordeeld, was dat ze twaalf pond Gloucesterkaas had gestolen. (…) Elizabeth Powely, tweeëntwintig jaar oud had een keuken in Norfolk geplunderd ter waarde van enkele shillings aan spek, meel en rozijnen meegenomen alsmede ‘zeven ons boter ter waarde van twaalf pence’, en was tot de strop veroordeeld, maar ze kreeg gratie en werd naar Australië gezonden waar ze nooit meer boter zou eten. (…) Honger dreef een Westindiër, Thomas Chaddick genaamd, een moestuintje binnen, waar hij, ‘in strijd met de wet’ twaalf komkommerplanten ‘lostrok, bedierf en vernietigde’; ook hij ging naar Australië om daar de precisie te overpeinzen waarmee de god van het bezit zijn zwarte leven in komkommers had uitgemeten.’

Desondanks weigert Hughes het vroege koloniale Australië als een gruwelcontinent of als een ‘sadistisch universum’ te beschouwen: hij bestrijdt ‘het folkloristische beeld van een door de zweep en de geselpaal geregeerde samenleving, bestaande uit kreunende blanke slaven en getiranniseerd door meedogenloze meesters’. Er waren ook veel vrije kolonisten die de hun toegewezen dwangarbeiders als een deel van het gezin behandelden, die mee aan tafel konden eten. En na hun straftijd en vrijlating konden vele ex-gedetineerden en dwangarbeiders vaak een relatief welvarend leven leiden. Door hun latere, enthousiaste brieven naar het thuisfront en oproepen om ook naar daar te emigreren begonnen conservatieve stemmen in Groot-Brittannië zich in de eerste helft van de 19de eeuw ongerust af te vragen of de afschrikkende werking van de kolonie nog wel groot genoeg was.

De verschrikkelijke, onmenselijke strafkampen op Van Diemen’s land en het allerwreedste kamp, dat van Norfolk Island dat Hughes zeer uitvoerig beschrijft, waren uiteraard een totaal andere zaak. Maar ook die waren gedoemd onder druk van de evoluerende opvattingen over misdaad en straf en de zich wijzigende sociaal-economische en politieke omstandigheden te verdwijnen. Een van de gevangeniscommandanten van Norfolk Island, Alexander Maconochie, begon zelfs – haast anachronistisch twintigste-eeuws – te experimenteren met Shakespeare-toneelopvoeringen voor en door gevangenen. En zowaar de oprichting van een gevangenisbibliotheek … Onder druk van de conservatieven moest Maconochie snel het veld ruimen voor wredere opvolgers maar de ommekeer was ingezet. Hughes evoceert de ondergang van het systeem op bijna symbolische wijze: hieronder zijn beschrijving van de moord op de allerlaatste wrede bevelhebber van Norfolk Island, John Price, door wraakzuchtige dwangarbeiders:

‘Price begon terug te rennen langs het spoortje toen een van ergens boven aan de groeve geworpen steen hem trof tussen de schouderbladen en hem voorover deed storten op zijn gezicht. En toen was er niets meer te zien dan een massa worstelende mannen, een woeste chaos van maaiende armen en lichamen in blauwe gevangeniskleding, en het onregelmatig rijzen en dalen van mokerslagen en breekijzers. Het bewind van Price op Norfolk Island was de laatste stuiptrekking geweest van de wreedheid van het Systeem: een nachtmerrie uitgezweet door een stervend organisme.’

Omdat de oorspronkelijke bevolking van Australië, de aboriginals, zelf geen documenten of memoires nalieten zijn de hoofdstukken die Hughes aan hun – steeds verslechterende – situatie en positie wijdt wat minder gedetailleerd. Maar hij noemt de uitroeiing van de Tasmaanse aboriginals onverbloemd een genocide: het hoofdstuk over hun lot grijpt naar je keel. De apotheose is het tragische levensverhaal van de laatste Tasmaanse vrouw, Trucanini, en de beschrijving van de schokkende, inhumane concurrentieslag tussen de ‘wetenschappelijke’ instellingen  die  het lichaam van de laatste overlevende mannelijke Tasmaanse aboriginal in bezit wilden krijgen.

Wie meer wil weten over de ‘ontdekking’ van Australië en Tahiti en de catastrofale weerslag op de oorspronkelijke bevolking kan ik trouwens De fatale invloed : het tragische verhaal van de Civilisatie van de Stille Zuidzee 1767-1840 van Alan Moorehead signaleren. Dat al wat oudere boek werd trouwens door Robert Hughes nagelezen en gecorrigeerd en is ook mooi geschreven.

Een aperitiefhapje voor je het magnum opus van Robert Hughes komt halen.

Wouter De Raes, collectie geschiedenis.

GELEZEN: De fatale kust van Robert Hughes

Boekvoorstelling ‘Vivat Willem! onzen Koning. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden 1815-1830’

Cover_Vivat_Willem

Naar aanleiding van de tweehonderdste verjaardag van de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, koos de stad Gent er in 2015 voor om deze belangrijke periode te herdenken. Zo gezegd, zo gedaan en het Nederland-geïnspireerde themajaar ‘Gent kleurt Oranje!’ werd geboren. Ook het boek ‘Vivat Willem!’, over het leven van de monarch, past perfect in dat plaatje. Het werk van de Gentse auteur Joris De Zutter werd aan de pers voorgesteld op 17 april 2015 in Hotel d’Hane Steenhuyse. Over de locatie was zeker nagedacht, want het bleek de plek te zijn waar Willem van Oranje-Nassau destijds zijn blijde intrede deed in Gent.

Hart voor Gent

Schepen van Cultuur Annelies Storms kondigde met groot plezier schrijver Joris De Zutter aan. De Zutter, stafmedewerker van het Departement Cultuur, sleurde daarop het kleine publiek moeiteloos mee in zijn verhaal. Vooral het belang van de vorst voor de stad Gent werd tijdens de voorstelling meer dan eens benadrukt. Het viel niet te ontkennen dat de schrijver een ontembare passie bezit voor geschiedenis.

Dat Gent veel aan koning Willem I te danken heeft, ligt voor de hand. De vorst was een ambitieus man en daar plukte de stad destijds rijkelijk de vruchten van. In 1817 richtte hij een universiteit op en in 1827 kwam er een zeekanaal, dat van de stad een zeehaven maakte. Volgens Schepen Annelies Storms, maakte koning Willem Gent groot: ‘Er is waarschijnlijk nog nooit een vorst geweest die in zo’n korte tijd zoveel voor onze stad heeft gedaan’. Ook De Zutter bevestigde tijdens de vragen van het publiek dat de vorst een grote invloed op Gent heeft gehad. ‘In de vijftien jaar van Willems koningschap werd onze stad een industriële koploper. Koning Willem zette hier enorm veel in op vlak van economie.’

Ongebruikelijke vorst

De Zutter schreef voornamelijk over de opvallende, contradictorische aspecten van de vorst. Willem I worstelde namelijk met onverenigbare opvattingen over zijn heerschappij. Zo wou hij de oude beginselen van de soevereiniteit uit het ancien régime verzoenen met nieuwe, liberale denkbeelden over staat en maatschappij. Zijn macht was dus alles behalve gebruikelijk. Ook het persoonlijke leven van de vorst beschreef De Zutter gedetailleerd. Deze historische biografie, dat ook illustraties bevat, telt ongeveer 80 pagina’s.

Na afloop van de voorstelling kon er op de receptie nog verder gekeuveld worden over het boek. De schrijver werd er gebombardeerd met loftuitingen en sloeg nog een praatje met de genodigden. Daar vertelde de auteur ons ook nog wat meer over de bibliotheek van Gent. ‘De bibliotheek was ten tijde van koning Willem een van de rijkste bibliotheken van het land. Ze hadden een zeer uitgebreide collectie en kende dan ook een hoog aanzien bij de mensen.’


logo-gent-kleurt-oranje-DEFGeïnteresseerden kunnen het boek kopen in de boekhandel, aan de balies van de stedelijke musea en historische huizen en in de Stadswinkel. Ook de bibliotheek bezit enkele exemplaren die uitgeleend kunnen worden.

Boekvoorstelling ‘Vivat Willem! onzen Koning. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden 1815-1830’

Wir sind das Volk! – Val van de Berlijnse Muur – 25 jaar geleden

berlijnse muurIn de herfst van 1989 kwamen duizenden mensen vreedzaam op straat tijdens de maandagsdemonstraties in Leipzig en andere Oost-Duitse steden. Op donderdag 9.11.1989 las de secretaris van het Centraal Comité van de Oost-Duitse SED, Günter Schabowski, quasi achteloos, een persbericht voor over een versoepeling in het reisverkeer naar het buitenland. Dit zet een kettingreactie in gang die na een jaar resulteert in de Wiedervereinigung van de 2 Duitslanden.

Cees Nooteboom arriveerde die avond in Berlijn en beschrijft ‘ineens hoor ik iets in het geluid van de stem op de autoradio … de chauffeur is een meisje … ze is opgewonden, ze roept bijna. De Muur is open, iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor. In de walmende Trabant naast ons ons houden jonge Oost-Duisters hun visum naar ons omhoog …’

Geert Van Istendael, toen journalist bij de BRT, was toen voor het eerst met een cameraploeg in Berlijn en al dadelijk ooggetuige van de rumoerige persconferentie en de gevolgen op straat: hoe de juichende en feestvierende Berlijners de grensovergangen oversteken verbouwereerd aangestaard door de grenswachters

Radiojournalist Rik Tyrions beschrijft uitvoerig deze De nacht van de vrijheid en de gevolgen voor Duitsland en de internationale politiek.

Een even gedetailleerd en analytisch verslag van deze spectaculaire Wende geeft Robert Darnton, hoogleraar Europese geschiedenis aan de universiteit van Princeton, in zijn Berlijns dagboek. Hij was toevallig voor historisch onderzoek in Berlijn ‘om een monografie over de achttiende eeuw te schrijven. Maar toen barstte er pal voor mijn neus iets los wat verdacht veel leek op een revolutie’. De historicus wordt ooggetuige/journalist, voert vele gesprekken met betrokkenen uit alle lagen van de bevolking en schrijft gebeurtenissengeschiedenis. Hij interpreteert de gebeurtenissen terwijl de handelende personen ze veroorzaken en let op de symbolische dimensie van hun handelingen.

Maar wat was eigenlijk die muur, dit meest zichtbare symbool van de Koude Oorlog?
Frederick Taylor beschrijft in zijn standaardwerk De Berlijnse Muur : 13 augustus 1961 – 9 november 1989 boeiend de dramatische geschiedenis van de deutsche Teilung: de geheime voorbereidingen van de bouw, de spannende augustusdagen van 1961, de organisatie van de bewaking met wachttorens, schietinstallaties en prikkeldraad, de schrijnende realiteit van de scheiding, de vluchtpogingen, het bezoek van president Kennedy en de uiteindelijke val van de muur.

En van welke staat gingen toen de grenzen open?
Friso de Zeeuw, beheerder van de site www.ddr-museum.nl, toont in Fascinatie DDR beknopt en beeldrijk vele aspecten van het ‘gewone leven’ in de socialistische Boeren- en Arbeidersstaat.
Ook Hans Boele belicht in Dàt was de DDR het land van binnenuit.

Nadien reisden verschillende auteurs en fotografen langs de resten van deze wegroestende scheidslijn tussen Oost en West zoals Thomas von der Dunk, Daniel Koning, Johan De Boose

In de bibliotheek aan de Zuid vindt u hierover boekentafels met geselecteerde non-fictie (3de verd.) en fictie (4de verd.)

Koen Temmerman, bibliothecaris

Wir sind das Volk! – Val van de Berlijnse Muur – 25 jaar geleden

Patricia Carson overleden

carsonZoals u misschien in de pers vernomen heeft, is vorige week Patricia Carson overleden. Zij werd geboren in Groot-Brittannië in 1929 en vestigde zich na haar huwelijk met rechtshistoricus en hoogleraar middeleeuwse geschiedenis Raoul van Caenegem in Gent. Zij studeerde geschiedenis in Londen. Bij ons is zij bekend van een aantal werken over Vlaanderen en Gent. The fair face of Flanders verscheen oorspronkelijk in 1969. Het boek verscheen ook in het Nederlands als Het fraaie gelaat van Vlaanderen en werd verschillende keren geactualiseerd en opnieuw uitgegeven (laatste editie 2001) omdat het een succesvol boek was. In onze Gent-collectie kunt u ook haar werk over Jacob van Artevelde en Gent: een stad van alle tijden (een historische wandelgids) terugvinden. De volledige boekenlijst uit onze collectie vindt u hier.

Kristine De Messemaeker, collectie Gent 3de verdieping

Patricia Carson overleden

100 jaar geleden, 12 oktober 1914, de Duitsers bezetten Gent: 3 getuigenissen

WOI Gent stadhuisOp 4 augustus 1914 vielen Duitse troepen België binnen en begon de gewelddadige opmars richting Frankrijk. Toen het Duitse leger Gent naderde, kon burgemeester Emile Braun onderhandelen om de stad niet te beschieten. Maar op 12 oktober trokken Duitse soldaten de stad toch binnen. Van drie Gentenaars kennen we het ooggetuigeverslag van die bijzondere dag.

Jozef De Graeve (Gent, 11.07.1891 – Gent, 08.08.1934) was toen journalist bij het Zondagsblad (letterkundig bijblad van Vooruit). De hel en hoe ze op aarde kwam : dagboek eener menigte (1919) is zijn levendige beschrijving van de oorlogservaringen van de Gentse arbeiders, meer bepaald in de Brugse Poort. Over dat ene moment schrijft hij: ‘Beneden, onder ons, aan de ingangspoort van de courantdrukkerij, was er eene herrie. Plots vloog, achter ons, de deur der redactiezaal open en een man stoof binnen: De Duitschers zijn daar!… Ze zijn op ’t stadhuis! Riep hij als verwilderd.’

De Gentse advocaat, journalist en liberale politicus Marc Baertsoen (Gent, 17.07.1860 – Gent, 19.02.1934) geeft in zijn oorlogsdagboek Notes d’un gantois sur la guerre de 1914-1918 (1929) een gedetailleerd verslag over de oorlogsontwikkelingen aan het Belgische front en over het dagelijks leven in Gent. Op die maandag noteert hij: ‘A 9 h 1/2, je me rends à l’hôtel de ville, et j’y arrive au moment précis où s’y arrêtent une dizaine d’Allemands, cavaliers et cyclistes, dont deux sous-officiers, lesquels descendent de cheval et montent les degrés de l’édifice communal… Profonde impression: la foule énorme qui se presse au marché au Beurre regarde avec stupeur, mais reste calme.’

De schrijfster Virginie Loveling (Nevele, 17.05.1836 – Gent, 01.12.1923) was 78 jaar toen de Duitsers Gent binnenvielen. Haar Oorlogsdagboeken 1914-1918 berichten nauwgezet het grote en kleine nieuws over het leven in en rond de stad. Over 12 oktober bericht zij: ‘De Duitschers zijn in de stad. De troepen trekken in dichte paradegelederen voorbij het Stadhuis op in de richting der Brugsche poort. De volkshoopen op de gaanpaden zien sprakeloos toe… Kanonnen en grof geschut sluiten den optocht. De getalsterkte wordt op twintig duizend man geschat. Allen zijn in de kleur van gedroogde grijze aarde gekleed.’

Op straten en pleinen wordt door de opperbevelhebber von Beseler, generaal van de infanterie, de volgende officiële bekendmaking in drie talen (D/N/F) aangeplakt: ‘Inwoners van Gent! Duitsche troepen treden heden in Uwe stad binnen. Aan geen enkel van uwe medeburgers zal kwaad gedaan en uwe goederen zullen geëerbiedigd worden, indien gij u onthoudt van alle vijandelijkheid….Indien nu of in toekomende in uwe stad duitsche troepen aangegrepen worden, wordt de bezetting er uit getrokken en de stad zal zonder genade in brand geschoten worden. Ik waarschuw u!’
Tot 13/11/2014 kan u de originele tekstaffiches nog bekijken in de Zwarte Doos.

Meer info over WOI op de Bib-in-Touch op de 3de verdieping van de hoofdbibliotheek aan de Zuid en meer boeken over Gent in WOI.

Afdeling Non-fiction

100 jaar geleden, 12 oktober 1914, de Duitsers bezetten Gent: 3 getuigenissen