Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 9

index (2)

Op dinsdag 21 juni 2016 interviewde Pat Donnez UGent-wetenschappers Sabine Van daele (UZGent, kinderlongarts), Martine Lejeune (Vakgroep vertalen, tolken, communicatie; filosofe) en Myriam Van Winckel (UZGent, kinderarts maag-, darm- en leverziekten) over hun favoriete literaire werken.

Sabine Van daele kiest voor de succesvolle klassieker Oorlog en terpentijn (2013) van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans omdat er voor haar als “rasechte Gentse” talrijke herkenningspunten in de roman zijn van het Gent van 100 jaar geleden. Bovendien is ze enthousiast over de prachtige taal (“een schat aan oude woorden”) en de zintuiglijke verwoording in een mix van geuren en kleuren (“synesthesie”). Het portret van Hertmans’ grootvader als een van de vele illustraties in het boek herinnert haar ook aan een persoonlijk familieverhaal van haar man.

Vervolgens licht Van daele haar tweede roman toe, Een geweer, een koe, een boom en een vrouw (2014) van de Israëlische schrijver Meir Shalev, die zich afspeelt in een Israëlische landbouwkolonie. Hoewel het boek een verhaal is van de wraak en wreedheid van de natuur en het lot van de mens, is het toch voor haar een warm en genuanceerd familieboek met een heel mooie beeldspraak (symboliek).

Martine Lejeune houdt een vurig pleidooi voor de experimentele roman Wittgenstein’s mistress (1988) van de Amerikaanse schrijver David Markson. Het hoofdpersonage, een schilderes, schrijft in een “verscheurende eenzaamheid” (nvdr: als de laatste mens op aarde) haar memoires niet in de vorm van een verhaal maar in de vorm van een lang gedicht (“losse zinnen”) die heel sterk doen denken aan de Amerikaanse modernistische dichter Ezra Pound en zijn Imagism (nvdr: bv. gebruik van precieze, objectieve beelden in de poëzie).

Ook haar volgende keuze is een bijzonder werk: de novelle Der Spaziergang (1917) van de Zwitserse schrijver Robert Walser. Lejeune noemt het een “lang gedicht”, “het stilste gedicht in het Duits” dat zowel hilarische passages als morele kwesties bevat. In 2015 verscheen voor het eerst de (nvdr: overigens niet altijd foutloze) vertaling in het Nederlands onder de titel De wandeling met een prachtig nawoord-essay van de Duitse schrijver W.G. Sebald waarin hij Walsers stijl karakteriseert als “de unieke doldgedraaidheid van zijn formuleringskunst”.

Myriam Van Winckel verrast met een eerste fictieboek voor de jeugd (vanaf 10 jaar) Brieven aan niemand anders (1996) van de Nederlandse schrijver (ook arts) Toon Tellegen. Het boek bevat absurde dierenverhalen vol poëzie (nvdr: Tellegen schreef ook gedichten voor volwassenen). Van Winckel leest een fragment voor over de fijnzinnige communicatie tussen de eekhoorn en de olifant.

Ten slotte kiest Van Winckel voor de roman Le rapport de Brodeck (2007; vertaald in het Nederlands: Het verslag van Brodeck (2008)) van de Franse schrijver Philippe Claudel: het relaas door Brodeck over een vreemdeling, De Anderer, in een dorp na de tweede wereldoorlog. Naast de uiteindelijke moord (“l’Ereigniës” genoemd in het verhaal; nvdr: Das Ereignis betekent in het Duits de gebeurtenis) op De Anderer wijst Van Winckel op de veelgelaagdheid van de roman: het ondergaan van de vernederingen, het vijanddenken, het motief en de lafheid van de moord en het leren nuanceren door het lezen van Le rapport de Brodeck.

Joël Neyt, bibliotheekmedewerker voor de Literatuurafdeling, Stedelijke Openbare Bibliotheek Gent

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 9

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 8

index (1)

Op woensdag 25 mei 2016 interviewde Pat Donnez UGent-wetenschappers Tessa Kerre (Inwendige Ziekten, Hematoloog), Catharina Dehullu (Internationaal Recht, Europees Recht) en Steven Vanden Broecke (Geschiedenis) over hun favoriete literaire werken.

Tessa Kerre is in de korte roman Het zwart en het zilver (2014) van de Italiaanse schrijver Paolo Giordano (bekend van De eenzaamheid van de priemgetallen) vooral geboeid door het inspirerende personage van de huishoudster Signora A. die in het leven komt van Nora, die zij verzorgt met “een religieuze drang” tijdens een moeilijke zwangerschap, en haar in de roman niet bij naam genoemde man, die het verhaal vertelt. Ten slotte krijgt Signora A. (koosnaam: Babette) kanker maar blijft verbonden met de man en de vrouw.

De tweede roman van Kerre, Honderd jaar eenzaamheid (1967) van de Colombiaanse schrijver Gabriel Garcia Marquez, is het “beslissend boek” dat zij las in juli 1989 toen zij 16 jaar was. Kerre, enig kind in een gezin, droomde van grote families, en vond in de roman de oerfamilie, met onder meer de zeer sterke figuur van Ursula (120 jaar), in het fictieve Macondo. Zij herlas het boek nu en vond het een “duister en triestig verhaal”. Een ander aspect van de magisch-realistische – voor Garcia Marquez de Latijns-Amerikaanse realiteit – roman, de zoektocht naar nieuwe dingen (verband met de wetenschap) wordt prachtig geïllustreerd door de ondertussen beroemde eerste zin, waarbij kennis wordt gemaakt met het ijs.

Catharina Dehullu heeft voor de roman Dora Bruder (1997) van de Franse schrijver Patrick Modiano (Nobelprijs voor Literatuur 2014) gekozen vanwege het onderwerp: de zoektocht naar een verdwenen Joods meisje in Parijs in 1941. Modiano geeft volgens Dehullu “een gezicht aan mensen die tussen de plooien van de geschiedenis vallen”.

Dehullu kiest daarna voor de recente roman Jij zegt het (2015; Libris Literatuurprijs 2016) van de Nederlandse schrijfster Connie Palmen: het verhaal van de noodlottige relatie van de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath – zij pleegt uiteindelijk zelfmoord – en haar man, de Engelse dichter Ted Hughes. Haar interesse voor de roman was ingegeven door haar lectuur van Plaths autobiografische roman The bell jar (1963; De glazen stolp). Jij zegt het is evenwel geschreven vanuit het perspectief van Ted Hughes en geïnspireerd door zijn autobiografische dichtbundel The birthday letters (1998; Verjaardagsbrieven) in een volgens Dehullu bij het verhaal passende geaffecteerde stijl en als “in een gulp geschreven zonder punten met komma’s”.

Steven Vanden Broecke kiest voor een Joods-Amerikaanse auteur Henry Roth – “iemand die veel te weinig gelezen wordt” – met zijn autobiografische roman Call it sleep (1934), vanuit het vertelperspectief van een opgroeiende jongen die een van de vele migranten was die voet zette omstreeks 1907 op Ellis Island (New York). Boeiend vindt Vanden Broecke de verhaallijn die illustreert “hoe problematisch taal is door de ogen van een vijfjarige migrant”. Ook geweld (vooral door de vaderfiguur) en seksualiteit zijn essentieel in de roman die gekenmerkt wordt door een modernistische verteltrant.

Daarna kiest Vanden Broecke voor het gedicht Journey of the Magi (1927; zie The complete poems and plays of T.S. Eliot) van de Amerikaans-Britse dichter T.(homas) S.(tearns) Eliot (Nobelprijs voor Literatuur 1948). Het gedicht verwoordt de tocht van de drie wijzen of koningen uit het oosten (oorspronkelijke tekst in het Evangelie van Matteüs) vanuit het perspectief van de wijzen die met “een gevoel van verwarring op de grens staan van leven (geboorte) en dood”. Eliot had zich bekeerd tot het anglicanisme maar in het gedicht durft hij “hij de waanzin van het geloof in de ogen kijken”, wat Vanden Broecke illustreert door het lezen van een fragment met de dichtregel “That this was all folly” en de allerlaatste zin “I should be glad of another death” en verwijst naar de zangerigheid van Eliots stem bij het voorlezen van het gedicht (te beluisteren op YouTube (klik hier).

Joël Neyt, bibliotheekmedewerker voor de Literatuurafdeling in de Stedelijke Openbare Bibliotheek Gent

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 8

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 7

index

Op woensdag 27 april 2016 interviewde Pat Donnez UGent-wetenschappers Frederik Anseel  (Organisatiepsychologie), Kristiaan Versluys (Directeur Onderwijsaangelegenheden, specialisatie Amerikaanse literatuur) en Nadia Sels (Klassieke mythologie, Oudgriekse letterkunde) over hun favoriete literaire werken.

Frederik Anseel kiest eerst voor The sense of an ending (2011; Alsof het voorbij is) van de Engelse schrijver Julian Barnes. Pat Donnez spreekt van een “dubbelslag” omdat het boek reeds eerder door een wetenschapper gekozen is (nvdr: zie aflevering 2).  Anseel was tijdens het lezen geboeid  door het thema (“roman over herinneringen” met het geheugen als “opnameapparaat of verhalenverteller”), de toon (heel strikt, geen emoties, platonische liefde), het beschrijven van parallelle universa (verbonden met zijn interessegebied psychologie) en de stijl (“de meester toont zich in zijn beperking”).

Anseels tweede romankeuze On Chesil Beach (2007; Aan Chesil Beach) van Ian McEwan creëert een ander spanningsveld door het thema: twee jonge mensen Edward en Florence op de drempel van hun huwelijksnacht (nvdr: de roman is gesitueerd begin jaren 60 van de twintigste eeuw in een Britse “standenmaatschappij”). Opnieuw was Anseel getriggerd door parallelle levens in het verhaal: o.m. “het onderdrukte bij de man” en de vrouw als “een vat vol frustraties”.

Voor Kristiaan Versluys is de roman Extremely loud & incredibly close (2005; Extreem luid & ongelooflijk dichtbij ) van de Joods-Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer hét boek van de literaire reactie op 9/11, waarin Oskar, een negenjarige jongen, het trauma van zijn verloren vader probeert te overwinnen door middel van een queeste (“op zoek naar een slot met een sleutel”) die verbanden herstelt. De magisch-realistische roman bevat ook een staalkaart van reacties van mensen op een trauma en wisselt van plaats (New York, Dresden, Hiroshima) en vertelperspectief (nvdr: beeld van een “teakettle”, zie begin van de roman).

Daarna prijst Versluys de roman American pastoral (1997; Pulitzerprijs 1997; Amerikaanse pastorale) aan van de Amerikaanse schrijver Philip Roth (gestopt als schrijver op de leeftijd van circa 80 jaar): een meesterwerk volgens hem waarin de zogenaamde Amerikaanse droom ontluisterd wordt. Het verhaal van het hoofdpersonage Seymour “Swede” Levov, een Amerikaanse sportheld die onder meer een politiek-terroristische daad van zijn dochter Merry moet verwerken, wordt verteld door Roths mythische alter ego Nathan Zuckerman.  Versluys spreekt vurig over de stijl (“complexe zinnen”, “iedere zin is een pareltje”), de inhoud (“onvatbare, complexe van het leven” met veel onbeantwoorde vragen), de retoriek (“verbale razernij”) en de “flair en naturel” van de roman.

Nadia Sels is vol lof over het gedicht War Music : an account of Homer’s Iliad (1981) van de Engelse dichter Christopher Logue (1926-2011; nvdr: het gedicht is een deel van Logue’s Homeros’ Iliasproject gestart in 1959; voor Cold Calls : War Music continued uit 2005 kreeg hij de prestigieuze Whitbread Poetry Award; de complete War Music is uitgegeven in 2015). De Iliasversie van Logue fascineert Sels om verschillende redenen: de muzikaliteit (het “staccato”ritme), gemengde gevoelens (“verwarring van de oorlog”, “medelijden”, “kwetsbare”), de moderne vormgeving (soms beeld van een “pornografische film”). Zij leest een kort fragment waarin een van de helden Patroclos, Achilles’ vriend, in beeld komt (nvdr: Patroclos wordt later gedood door Hektor).

Sels heeft ook een boontje voor de novelle Titaantjes (1915) van de Nederlandse schrijver Nescio waarin de verteller Koekebakker het relaas doet van de avonturen van vijf “aardige jongens” in “de  dagen onzer dwaasheid”. Nadia Sels koos de roman omdat “jongens allerlei dingen mogen doen” of “ze willen er graag van dromen”. Titaantjes verwoordt ook het thema van het verschil tussen kunst en leven en is volgens Sels verwant met antieke teksten die meer absurditeit ─ in tegenstelling tot de actuele cultuur die meer naar normaliseren neigt ─ en pathos toelaten.

Joël Neyt, bibliotheekmedewerker voor
Literatuurafdeling, Stedelijke Openbare Bibliotheek Gent

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 7

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 6

image004

Op woensdag 24 februari 2016 interviewde Pat Donnez UGent-wetenschappers Jan Tolleneer (gastprofessor UGent Bewegings- en Sportwetenschappen), Rik Van Haaren (em. prof. Kenniscentrum Geneeskunde en Kindergeneeskunde), Eric Mortier (Afgevaardigd-bestuurder UZGent en anesthesist) en Stijn Vanheule (Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie) over hun favoriete literaire werken.

Jan Tolleneer kiest eerst voor Joe Speedboot (2005) van de Nederlandse schrijver Tommy Wieringa: een roman over de vriendschap tussen twee jongeren Fransje Hermans en Joe Speedboot. Tolleneer heeft de narratieve en heel goed opgebouwde roman aanbevolen in het vak Toegepaste Ethiek omdat Joe, “een sportman in veel opzichten”, Fransje, “een biomedisch model in een rolstoel”, uit zijn isolement haalt. Fransje, die het romanverhaal met humor en een harde, realistische toon zelf vertelt en schrijft in twee delen (Penseel; Zwaard),  ontwikkelt zich zelfs tot een armworstelaar dankzij de kracht in zijn rechterarm (“ook een metafoor voor het schrijven?”).

Ook Tolleneers tweede romankeuze De wereld volgens Garp (1978; The world according to Garp) van de Amerikaanse schrijver-“superverteller” John Irving bevat de combinatie van literatuur en sport. Het tragikomische hoofdpersonage (nvdr: T.S. = Technical Sergeant: verwekt door een soldaat met hersenbeschadiging tijdens de Tweede Wereldoorlog en een verpleegster die later feministe wordt, Jenny Fields) Garp kiest voor het schrijverschap en het beroep van worstelaar. De roman is geschreven vanuit “een emotionele woede” en komt op voor zwakkeren en kansarmen in de samenleving. Bij het verschijnen van Garp werd John Irving wereldberoemd en in 1982 werd de roman verfilmd met Garp vertolkt door Robin Williams (overleden in 2014).

Rik Van Haaren is geboeid door Siddhartha (1922,  Siddhartha : eine indische Dichtung) van de Duits-Zwitserse schrijver Hermann Hesse (nvdr: Nobelprijs voor de Literatuur in 1946). Het verhaal is een spirituele reis van de jongen Siddhartha door India op zoek naar zijn ware zelf. Van Haaren leest een fragment voor waarin Siddhartha tijdens een ontmoeting met Boeddha (in de roman Gotama genoemd) kiest voor het verder zetten van zijn pelgrimstocht “om afscheid te nemen van iedere leer en van iedere meester om zo op eigen kracht mijn doel te bereiken of te sterven”. Daarna beklemtoont Van Haaren het actuele belang van Hesse als pacifist, humanistisch taoïst en zijn actuele populariteit (nvdr: mogelijk anwoord op “Welk leven moet ik eigenlijk leiden? (…) los van autoriteiten en ideologieën”).

Van Haaren verrast vervolgens met een eerste jeugdpublicatie in Belezen Wetenschappers in Vooruit, Het universum uitgelegd aan mijn kleinkinderen (2011, L’univers expliqué à mes petits-enfants) door de Frans-Canadese ondertussen “waanzinnig populaire” (zie ook YouTube) sterrenkundige Hubert Reeves. Het is geen roman maar wel een fantastisch verhaal over het heelal (sterren, water, zwarte gaten …), toegankelijk voor kinderen en jongeren vanaf circa 12 jaar en voor volwassenen.

Eric Mortier kiest voor de omvangrijke experimentele, postmoderne roman (circa 700 pagina’s) House of leaves (2000, Het kaartenhuis) van de Amerikaanse schrijver Mark Z. Danielewski omwille van de diverse vreemde vormen (lege pagina’s, lettertypes … herinnerend aan Paul van Ostaijens Music Hall) en de verschillende verhalen (oorspronkelijke verhaal van een overleden, oude man Zampano wordt becommentarieerd door Johnny Truant met een centrale rol voor een vreemd huis (“binnenafmetingen groter dan buitenafmetingen”; nvdr: het woord huis is consequent in het blauw gedrukt in de roman). De romanvorm en
-inhoud en bij uitbreiding de literatuur, “een huis met vele kamers”, staan garant voor een actieve, moeilijke relatie met de werkelijkheid – Pat Donnez verwijst in dit verband naar het theoretisch werk van Kathryn Hume (nvdr: o.m. Fantasy and mimesis : responses to reality in Western literature uit 1984).

Ook het tweede favoriete werk van Eric Mortier is een uitgebreide (circa 650 pagina’s) postmoderne roman De slinger van Foucault (1988, Il pendolo di Foucault) van de in 2016 overleden Italiaanse schrijver-mediëvist-semioticus Umberto Eco (bekend van de verfilmde roman De naam van de roos). De roman is onder meer “een epistomologisch tractaat” – een zoektocht naar het antwoord op de vraag “Wat is betrouwbare kennis?” en een occult spelletje met belangrijke gevolgen (bv. de slingerpunt verwijst naar tellurische (aardse) stromen).

Stijn Vanheule spreekt bezield over het gedicht Niets tweemaal (1957) van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska. Zij kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur in 1996 (de jury noemde haar “de Mozart van de poëzie, een vrouw die de elegantie van taal vermengde met de razernij van Beethoven”) en overleed in 2012. Het gedicht, een “absoluut sleutelwerk” volgens Vanheule, is onder andere verschenen in De vreugde van het schrijven : een keuze uit de poëzie van Wislawa Szymborska (1997) en in Einde en begin : verzamelde gedichten (2007). Stijn Vanheule vindt dat de dichteres denkpatronen uitdaagt, meditatief is, aandacht heeft voor de natuur en vooral een leidraad is om te luisteren naar mensen. Hij verbindt haar poëzie met zijn wetenschappelijk vakgebied, de psychoanalyse: de poëzie hoort bij het contingente (“waar, maar niet noodzadelijk”) en de “verwondering in essentie (liefde)” als essentieel deel van zijn wetenschap.

Vanheule eindigt met de roman Bezonken rood (1981) van de Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers: een autobiografische fictie en een hommage aan zijn overleden moeder die gemarteld werd in een Jappenkamp Tjideng in Indonesië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanheule bespreekt een sleutelscène waarbij zijn moeder rijst steelt voor hem (Brouwers als kleuter) en betrapt wordt. Er vindt bij Brouwers een “vreemde identificatie” plaats in verband met zijn moeder: “zijn gezicht valt van hem af”. Vervolgens duidt Vanheule het innerlijke van het personage Brouwers: hij kan het nieuwe niet zien wegens een traumatisering van binnen uit en kan ook niet verdringen, wat noodzakelijk is voor het ervaren van intimiteit.

 Op woensdag 27 april 2016 zijn volgende wetenschappers te gast (meer info op website Vooruit):

  • Kristiaan Versluys (Directeur Onderwijsaangelegenheden; Amerikaanse literatuur)
  • Frederik Anseel (Organisatiepsychologie)
  • Nadia Sels (Klassieke mythologie, Oudgriekse letterkunde)

Verslag van aflevering 7 volgt in de loop van de maand mei 2016.

Joël Neyt, bibliotheekmedewerker voor
Literatuurafdeling Stedelijke Openbare Bibliotheek Gent

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 6

Guislainlezing Yves T’Sjoen en Kurt Defrancq: 12 ‘vuile boekskes’

schaamte

Op dinsdag 16 februari sprak professor Yves T’Sjoen (Faculteit Letteren en Wijsbegeerte UGent) in onze bibliotheek over erotische, verboden en taboedoorbrekende literatuur in de jaren 60. Kurt Defrancq (acteur en cultureel adviseur UGent) las de tekstfragmenten voor.

De lezing kaderde in een reeks over ‘Schaamte’ naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling in het Museum Dr. Guislain.

U kunt de lezing hier beluisteren.

Yves T’Sjoen selecteerde voor zijn lezing de volgende titels uit onze collectie:

schaamte cremer         schaamte claus

Op dinsdag 23 februari sluit Johan Braeckman de reeks af met een lezing over schaamte vanuit Darwinistisch perspectief.

Guislainlezing Yves T’Sjoen en Kurt Defrancq: 12 ‘vuile boekskes’

Belezen Wetenschappers in Vooruit – aflevering 5

het-kralenspel-herman-hesse-boek-cover-9789023422990
Op woensdag 27 januari 2016 interviewde Pat Donnez UGent-wetenschappers Bart Dessein (Chinese Taal en Cultuur, Centrum voor Boeddhistische Studies), Walter Buylaert (Urgentiegeneeskunde, Dienst Spoedgevallen) en Pierre Schoentjes (Franse letterkunde) over hun favoriete literaire werken.

Bart Dessein is zeer enthousiast over Mouye (1932; in het Engels gepubliceerd als A certain night; niet in het Nederlands vertaald) van de Chinese schrijfster Ding Ling (ook geschreven als Ting Ling). Zij vertelt het waargebeurde verhaal van haar man en schrijver Hu Yepin die samen met vier andere communistische schrijvers geëxecuteerd wordt door medestanders van de nationalistische Chinese politieke partij Kwomintang in 1931 (nvdr: de partij van leider Tsjang Kai-Tsjek die zich afscheurde van China en in 1949 Taiwan oprichtte). Dessein vindt het diepmenselijke, wrede relaas waarin nog hoop doorschemert  ─ “Wanneer zal het licht worden?” ─  een “pareltje van literatuur” in grammaticaal prachtig  en klankrijk Chinees.

Desseins tweede keuze is de roman Onheilspad (1992; oorspronkelijke Duitse titel: Unkenrufe van Günter Grass (bekend van Die Blechtrommel uit 1959 en Nobelprijs Literatuur in 1999) is ingegeven door zijn “zeer geëngageerd herlezen” en “het diepmenselijke idee” ─ een reactie tegen het kapitalisme en een totalitaire staat ─  van de twee bejaarde personages Alexander (Oost-Duitser) en Alexandra (Poolse) die een soort “verzoeningskerkhof” creëren voor Duitsers en Polen in Danzig (het huidige Gdansk in Polen). Maar projectontwikkelaars maken van het kerkhof een commercieel bedrijf.

Walter Buylaert (em. prof. dr.) kiest eerst voor de debuutroman Nacht (1964; in het Nederlands verschenen in 2008) van de Duits-Joodse schrijver Edgard Hilsenrath (bekend van De nazi en de kapper). De rauwe roman is gebaseerd op het levensverhaal van Hilsenrath en speelt zich af in een fictief kamp-getto in Oekraïne, waarin mensen “ontmenselijkt” (“grausam”) worden: het personage Ranek bijvoorbeeld verhandelt gouden tanden die hij uit de mond van een tyfuslijder sloeg.

Vervolgens kiest Buylaert die veel in het Duits leest (zijn kleinkinderen zijn Duitsers) voor Das Glasperlenspiel (1943; in het Nederlands vertaald als Het kralenspel) van de Duits-Zwitserse schrijver Herman Hesse (Nobelprijs Literatuur 1946). Het is een “utopische bildungsroman” die zich afspeelt in de 23ste eeuw waarbij het hoofdpersonage Josef Knecht opklimt tot “Magister Ludi” (meester van het spel) in het kralenspel: een intellectueel spel dat bestaat uit een hoogstaand abstract denken dat onder meer verbonden is met wiskunde en muziek. Maar een tweespalt tussen de intellectuelen en het meer wereldse personage Plinio Designori zorgt voor een kentering met ook gevolgen voor Josef Knecht. Ten slotte spiegelt Walter Buylaert zijn leeservaring met de wereld van wetenschappers (drie pijlers: onderzoek, onderwijs, dienstbetoon) en de neveneffecten zoals burn-out, uit de “ivoren toren” stappen.

Pierre Schoentjes (gedoctoreerd met studie over hoe Proust eind 20ste eeuw ironisch kon gelezen worden en uitgesproken fan van e-boeken: “wat telt is de tekst”) kiest resoluut voor de laatste generatie van jonge Franse schrijvers die een groot publiek kunnen aanspreken. Schoentjes stelt eerst de roman voor Des hommes (2009; in het Nederlands Over mannen) van een van de beste jongere schrijvers Laurent Mauvignier – hij schreef ook een psychologische roman over het Heizeldrama (1985) Dans la foule (2006; in het Nederlands In de menigte). In Des hommes verwerkt Mauvignier het trauma van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog 1954-1962 aan de hand van drie oudere hoofdpersonages Bernard, Rabut en Février die terugblikken naar de wrede feiten in die oorlog. Schoentjes, die benadrukt dat het moeilijk is om in de Franse literatuur onmiddellijk te reageren tegen gruwelijke politieke feiten zoals in Algerije, vindt Des hommes ook stilistisch knap geschreven (“Mauvignier vindt net zoals Proust en Claude Simon een taal uit met zinsritme, sequenties met staccato’s”) en prijst ook de psychologische analyse via diverse belichtingen.

Schoentjes’ tweede romankeuze Réparer les vivants (2014; in het Nederlands De levenden herstellen) van de schrijfster Maylis de Kerangal is eveneens bijzonder qua inhoud en stijl. De jonge surfer Simon Limbres is hersendood na een auto-ongeval maar zijn kloppend hart wordt geschonken (donorschap) aan een andere persoon. De Kerangal beschrijft via een “visuele, energieke tekst” (“geen technische roman”) de route (“les itinéraires”) van het hart.

Op woensdag 24 februari 2016 zijn volgende wetenschappers UGent te gast:
(meer info op website Vooruit)

  • Eric Mortier (Gedelegeerd bestuurder UZGent)
  • Jan Tolleneer (Bewegingswetenschappen)
  • Rik Verhaaren (Kinderarts UZGent)
  • Stijn Vanheule (Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie)

Verslag van aflevering 6 volgt in de loop van de maand maart 2016.

Joël Neyt, bibliotheekmedewerker Literatuurafdeling, Bibliotheek Gent

Belezen Wetenschappers in Vooruit – aflevering 5

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 4

th

Op woensdag 16 december 2015 interviewde Pat Donnez wetenschappers Ignaas Devisch (Ethiek en (Medische) Filosofie UGent en Arteveldehogeschool), Luc Martens (Tandheelkunde UGent) en Katrien François (Hartchirurgie UGent) over hun favoriete literaire werken.

Ignaas Devisch opent met De schone slaapsters van de Japanse schrijver Yasunari Kawabata (1961)  ─ hij kreeg in 1968 de Nobelprijs Literatuur en pleegde in 1972 zelfmoord. Devisch is eerst en vooral gefascineerd door het kernverhaal: de oude Japanse heer Eguchi mag ’s nachts in een bijzonder bordeel naast een slapend meisje liggen zonder haar aan te raken. Dit gegeven is een metafoor voor de “eindigheid” (de oude man), de onbereikbaarheid van de vrouw en voedt de erotische dromen van het hoofdpersonage (nvdr: ook in 2009 operabewerking The house of the sleeping beauties door regisseur Guy Cassiers en componist Kris Defoort met acteur Dirk Roofthooft). Volgens Devisch wordt de kracht van literatuur uitgedrukt door de “omfloerste verwoording” in de roman.

Devisch’ tweede keuze Gemeenschap, een kortverhaal (eind 1920) van de Duitstalige schrijver Franz Kafka (bekender van onder meer de roman Het proces),  verscheen in de verhalenbundels De Chinese muur en andere verhalen (1965) en Bij de bouw van de Chinese muur en andere postuum gepubliceerde verhalen (1985). Het grappig-absurd verhaal behandelt een basisgegeven van de maatschappij waarbij volgens een “arbitrair criterium”  de lijn getrokken wordt tussen een binnen en een buiten, tussen wij en zij. Devisch noemt het kortverhaal “een samenvatting van zijn doctoraat” (nvdr: over het werk van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy) in een aantal lijnen en verbindt het ook met de actuele problematiek over het al of niet opnemen van vluchtelingen wereldwijd.

Luc Martens (naast zijn wetenschappelijk werk ook “stadsdichter van Deinze 2014-2016”) kiest voor het eerst bij “Belezen Wetenschappers in Vooruit” voor een dichtbundel: Aanrakingen van Marc Tritsmans (2015). Tritsmans is ook tandheelkundige en werkt als milieuambtenaar. Als dichter werd hij onder meer bekroond in 2011 met de Herman de Coninckprijs voor zijn bundel Studie van de schaduw (2010) en de Publieksprijs voor het beste gedicht met Uitgesproken. Luc Martens is geraakt en geboeid door Tritsmans’ “transparante, toegankelijke poëzie” op basis van scherp “observeren” met “er veel achter zien” en leest uit de bundel Aanrakingen twee representatieve gedichten Potvis en Mijn vader is leeg.

Met Het hout van de Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers (2014; nvdr: bekroond met de ECI Literatuurprijs 2015) kiest Luc Martens ook voor een recente roman vol gruwelen (thematiek van het “kerkelijk seksueel misbruik” op een kostschool in Kerkrade). De “veelgelaagdheid” van de roman verteld vanuit het perspectief van “leraar-broeder Bonaventura”, het verhaal tot in de kleinste, ergste details verwoord en een “magistrale scène” en apotheose zijn voor Luc Martens de voornaamste redenen waarom hij voor Het hout kiest.

Katrien François kiest eerst voor de roman In tijden van afnemend licht van de Duitse in de Sovjetunie geboren schrijver Eugen Ruge (2012). De roman is een familiekroniek (drie à vier generaties) die de periode 1952 tot 2001 omspant met een ijkpunt, 1 oktober 1989, het tijdstip waarop de negentigste verjaardag van de Oost-Duitse familiepatriarch Wilhelm gevierd wordt (zesmaal vanuit een ander perspectief verteld), en het voorspel van Die Wende (het einde van het “paradijs van de DDR”) met de val van de Berlijnse Muur op 9 november 1989. François houdt van de romanstructuur – periodes door elkaar halen, afwisselen van figuren, frisse manier van kijken ─ en hoe de “kleine mens in de Oost-Duitse machine” leeft (beelden van banale dingen, keuken, … enz.). Zij leest een fragment uit het jaar 1979 waarbij het Oost-Duitse woningbeleid belicht wordt (“Ruïnes creëren zonder wapens te hanteren”).

François’ tweede romankeuze is Cutting for stone van de Ethiopisch-Amerikaanse arts-schrijver Abraham Verghese (2009; in het Nederlands verschenen als De heelmeesters in 2013). Zij kreeg het boek cadeau van een collega, ter gelegenheid van haar doctoraat, en las het in een ruk uit. De roman is het levensverhaal van een Siamese tweeling geboren in Ethiopië en opgevoed in India, met een liefdesverhaal waarbij de tweelingbroers verliefd worden op dezelfde vrouw. Ook de geneeskunde komt aan bod: in de ontwikkelingslanden meer het “luisteren naar het lichaam” dan het toepassen van techniek. Katrien François vindt artsen uit ontwikkelingslanden die hier komen studeren ook sterk in het omgaan met patiënten (“eenvoudig gesprek”). Ten slotte hoopt zij als hartchirurg ook “zeer empatisch” om te gaan met patiënten en te voorkomen dat er te veel aandacht naar technologie gaat.

Op woensdag 27 januari 2016 zijn volgende professoren-wetenschappers UGent te gast (meer info op website Vooruit):

  • Bart Dessein (Centrum voor Boeddhistische Studies)
  • Pierre Schoentjes (Franse Letterkunde)
  • Walter Buylaert (Inwendige Ziekten – Spoedgevallendienst UZGent)

Verslag van aflevering 5 leest u hier in de loop van februari 2016.

Joël Neyt, medewerker Literatuurafdeling, Openbare Bibliotheek Gent

 

Belezen Wetenschappers In Vooruit – aflevering 4