Claus’ diepe wortels in Gent


clausOp 19 maart vijf jaar geleden koos schrijver Hugo Claus ervoor om de toenemende dementie een hoofd te bieden en uit het leven te stappen.
Claus was een dichter in hart en nieren, schrijver van opmerkelijke verhalen en novellen, van romans in wisselende gedaantes, van theaterstukken en filmscenario’s (die hij deels zelf ook regisseerde), kameleontisch tekenaar-schilder, én een meester in het manipuleren van zijn interviewers. En in al die dingen refereerde hij geregeld aan de klassieke literatuur en aan autobiografische anekdotes. Bovendien won hij zowat alle staatsprijzen, was hij een van de meest bekroonde dichters ooit en werd hij bedacht met de Meesterschapsprijs 1994

Sinds zijn dood is er veel aandacht geweest voor Claus: herdenkingsprogramma’s (zoals dit voorjaar Saint Amour), de documentaire Wreed geluk, het heropvoeren van zijn toneelklassiekers (Een bruid in de morgen; Suiker, Vrijdag), de heruitgave van zijn bekende romans De verwondering, Omtrent Deedee en Het verdriet van België (in 1984 al een commercieel succes van ruim 100.000 verkochte exemplaren), toneelbewerkingen van zijn late romans (De geruchten; Onvoltooid verleden) en hommages en studies (van Patrick Conrad, Marc Didden, Josse de Pauw, Kevin Absilis…). Ook Steef Verwee’s muziekproject Claus on the rocks (1979) werd in de Gentse Scala hernomen als Liefste ellendeling.
Net voor Claus’ overlijden werd zijn briefwisseling met Roger Raveel nog gepubliceerd, en uit zijn literaire nalatenschap stelde Mark Schaevers De wolken samen.

Maar Claus had ook sterke banden met Gent: “Met bochten keer ik steeds terug naar het moederdorp. Mijn familie woont er, ik ken alle onderhuidse bewegingen in die stad,” zei hij. Hoewel hij hier academie liep, een tijdje gevelschilder was en jarenlang in Gent heeft gewoond – eerst in Oostakker, later aan de Predikherenlei (met de muurschildering van de befaamde Cobraschilder Asger Jorn), op de Sint-Jansvest en aan de Kasteellaan – was zijn omgang met de stad best wel moeizaam: de verveling was noodzakelijk om veel te kunnen schrijven, maar berucht is vooral zijn decennialange banvloek om nog toneel van hem in Gent op te voeren, nadat hij in 1964 was afgewezen als kandidaat NTG-directeur. Claus zette het de stad betaald in zijn toneelstuk Onder de torens (1993), dat het gekonkel in gesubsidieerde en politieke cenakels te kijk zet. Later werden de plooien glad gestreken en recent organiseerde het NTGent zelfs een ‘Clauskamp’.

Maar zijn binding met Gent bleek het sterkst in zijn meesterschapsproeven: De Oostakkerse gedichten (poëzie, tijdschriftpublicatie in Tijd en Mens o.d.t. Nota’s voor een Oostakkerse cantate) en Het verdriet van België (roman, waarin het Belfort, het Duivelsteen, de Graslei, de Sint-Baafskathedraal etc. figureren). Wie het stedelijk landschap aandachtig leest, kan Claus’ hoofdpersonen in De hondsdagen op de voet volgen door Gent, met een bus Hollandse toeristen in restaurant Angélica (alias Scala aan de Dendermondsesteenweg) verzeilen in Château Migraine of in Blindeman een heuvel aan de Blaarmeersen detecteren. Maar ook zijn verhalen spelen zich deels op Gentse locaties af, kijk maar in De zwarte keizer, De mensen hiernaast of Een zachte vernieling. En de Gentse ‘tribuun’ bij uitstek, Jacob van Artevelde, komt al voor in Het verlangen. Ook om uitspraken over de Gentenaars zat Claus niet verlegen, lees er ‘Drie steden’, in Natuurgetrouwer maar op na. Hij wijdde ook een gedicht aan koning Boudewijn, Een beeld in Gent.

Heel wat wetenswaardigs speelde zich in Gent af: zo werd zijn omstreden toneelstuk Het leven en de werken van Leopold II in 1972 voor het laatst opgevoerd in Theater Arena, de voorstellingen daarna werden in Brussel verboden. Zijn bewerking van Oidipoes In Kolonos werd gespeeld in de Sint-Baafsabdij, waarover hij in 1957 al een Klank- en lichtspel had geschreven voor de stad: Van de Vikings tot Keizer Karel (en zo dus eigenlijk ook ‘stadsdichter’ van Gent is geweest).
In 1979 eerde Gent hem met de driejaarlijkse Cultuurprijs van de stad (quasi zonder publiek, omdat de uitnodigingen om mysterieuze redenen niet tijdig verstuurd waren, zo wil de anekdote).

Hugo Claus was geregeld te vinden in De Hel en in de Hotsy Totsy, het artistieke café van zijn broer Guido aan de Hoogstraat (zie de Gentse poëzieroute), waar Het verdriet trouwens op 17 maart 1983 werd voorgesteld. Drie jaar later trok de succesvolle Claus-tournee ‘Suite flamande’ door de Vooruit. Zijn film Het sacrament (verfilming van Omtrent Deedee) figureerde op het Gentse filmfestival van 1989 en voor zijn 65ste verjaardag organiseerde Gent in 1994 een heus festival. Zijn zoon Thomas Claus (inmiddels zelf auteur) en zijn kleinzoon Anwar wonen nog in de Arteveldestad. Guido Lauwaert beweerde in Avenue Claus dat Hugo zelf op wel veertien adressen in Gent had gewoond, maar dat waren veelal praktische onderduikadressen om de fiscus te ontwijken en geen huizen waar de adem van de meester literaire kroonjuwelen produceerde. Claus was een fenomenale voorlezer van eigen werk, vooral van bijvoorbeeld Het graf van Pernath en Envoi, dat in de popsongversie van Absynthe Minded in 2009 de wereld rondging.

Wie mee in het archief van Claus wil duiken, kan vanaf 19 maart terecht op cobra en canvas. En wie wil weten wat er aan klassieke gedichten na Claus geschreven werd, kan in deze bloemlezing terecht.

Jean-Paul Den Haerynck, afdeling Literatuur

Claus’ diepe wortels in Gent

2 gedachtes over “Claus’ diepe wortels in Gent

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s